In de onderbouw is één op de drie lessen een theorieles. In de bovenbouw is dat één op de vijf. Met andere woorden: als leerlingen ouder worden krijgen ze méér praktijklessen. De theorievakken vallen onder het cluster Algemeen Vormend Onderwijs. Het gaat om Nederlands, Engels, rekenen en wiskunde, cultuur en maatschappij en ICT. We werken daarbij met streefdoelen. Voor Nederlands en rekenen is dat niveau 1F (google ‘referentieniveaus’). De lessen die we in de bovenbouw samen met het IDcollege verzorgen leiden toe naar een diploma op niveau 1 van het middelbaar beroepsonderwijs. De eerder genoemde streefdoelen vormen voor dit deel van ons onderwijs einddoelen.
Over huiswerk
door drs. Annemarie de Graaf, onderwijsadviseur MHR
Waarom wordt er op veel scholen huiswerk meegegeven? Vaak gaat het om herhalen van wat de docent al heeft aangeboden, of juist om voorbereiding van wat nog gaat komen. Daarnaast willen docenten zien of leerlingen wat ze geleerd hebben kunnen laten zien op een ander gebied door bijvoorbeeld een werkstuk te maken. Het is nog niet zo gemakkelijk om het juiste huiswerk voor elke leerling mee te geven. De opdracht kan bijvoorbeeld veel te moeilijk zijn of het is heel onduidelijk voor de leerling waarom hij of zij bepaald huiswerk meekrijgt. Eigenlijk is het belangrijkste van huiswerk niet alleen het huiswerk zelf, maar zeker ook de manier waarop het kind in de thuissituatie en de school daarmee omgaan. Zo moet het huiswerk van te voren besproken worden, zodat de opdracht duidelijk is. En als het werk is ingeleverd, moet het niet alleen nagekeken, maar ook nabesproken worden. Dat vraagt van de leerling dat hij of zij zicht heeft op wat goed ging en wat minder goed ging bij het maken, maar ook hoe dat komt.
Voor leerlingen op de Praktijkschool is het beter om opdrachten te maken waarbij de docent gelijk kan aangeven hoe het gaat. Ze vinden het vaak zelf moeilijk om in te schatten of ze het goed gemaakt hebben of niet. Bij huiswerk zit er eigenlijk te veel tijd tussen het moment waarop de leerling de opdracht maakt, en het moment waarop de opdracht wordt nabesproken. Ook kost het leerlingen meer tijd om de opdracht thuis te maken en leidt het tot frustratie als bij de bespreking op school blijkt dat de opdracht niet is begrepen, niet goed is gemaakt, niet volledig is gemaakt, etc. Het maken van opdrachten bij de ‘leervakken’ (zoals Nederlands en rekenen) kan daarom voor leerlingen binnen het Praktijkonderwijs beter onder begeleiding van de docent op school gedaan worden.
Nu zult u zich misschien afvragen of er niets is wat leerlingen (alleen of samen met u) thuis kunnen doen. Dat is er zeker wel! Een heel belangrijk onderdeel van de lessen op school bestaat eruit of de leerling begrijpt wat de docent vertelt, uitlegt, voordoet of vraagt van de leerlingen. Dat begrijpen heeft te maken met het kennen van woorden, ook wel ‘woordenschat’ genoemd. Hoe meer woorden je kent, hoe beter je dingen begrijpt en hoe meer kennis je krijgt over de wereld om je heen. Woorden kun je op allerlei manieren leren. Dat kan door de betekenis in een woordenboek op te zoeken of op de computer. Maar waar moet je dan beginnen? De leukste en makkelijkste manier om (meer) woorden te leren is door te lezen. Dat kunnen boeken zijn, maar ook tijdschriften, kranten, stripboeken of verhalen. Je leest het best en het makkelijkst wanneer je iets kiest wat je leuk vindt of waarover je meer wilt weten. Vaak vinden kinderen het leuk om een boek te lezen dat gaat over hun hobby of interesse bijvoorbeeld voetbal, koken, dansen, bouwen etc. etc. Als uw kind veel moeite heeft met lezen, kunt u ook kiezen voor luisterboeken, samen lezen of natuurlijk voorlezen. Veel leesplezier gewenst!